‘ALARM!!’
In de mijn klonk opeens geroep en getier. Hun ontsnapping was ontdekt!
Tess, Daan en Leila begonnen – zo snel ze konden op de gladde bodem – te rennen. Steeds dieper de ondergrond in.
‘HIERHEEN! Ik zie licht!’ brulde een zware stem achter hen.
Ze vluchtten verder. Zonder omkijken, met slechts één doel: uit handen van hun achtervolgers blijven.
Daan stopte abrupt.
De meisjes botsten tegen hem aan.
Door de schok zette Daan een stap vooruit en balanceerde vervaarlijk op de rand van een loodrechte afgrond.
‘Hier blijven…’ Leila greep Daan bij zijn arm.
‘D… dank je.’ Daan scheen met zijn zaklamp in de diepte.
Ze waren in een immense ondergrondse zaal beland.
Her en der onder hen kwamen mijngangen uit op een smal spoor voor mijnwagentjes, aan de rand van de afgrond.
In de mijnschacht achter hen weerklonken de geluiden van hun achtervolgers steeds luider.
Tess, Daan en Leila keken in paniek om zich heen. Ze zaten als ratten in de val!
‘Daar!’ riep Tess. In het licht van Daans zaklamp had ze drie mijnkarretjes gezien, die netjes achter elkaar op het spoor stonden. ‘Met wat geluk rijden die dingen nog!’ Ze rende ernaartoe.
‘Ben je nu helemaal gek geworden?’ Daan staarde haar onthutst aan. ‘Heb je enig idee wat er met ons gebeurt als dat ding ontspoort? Dan… dan…’ Hij kwam niet meer uit zijn woorden.
‘Het is onze enige kans!’ Tess klom in het eerste karretje.
‘Ze heeft gelijk,’ zei Leila. ‘Als we in handen vallen van die monsters, zijn we ten dode opgeschreven.’ Ze keek hem met grote ogen van angst aan. ‘Ik wéét wat die lui met hun slachtoffers doen. Ik kén hen.’
‘O… Oké.’ Daans mond was kurkdroog. Hij kroop op zijn beurt in het wagentje.
‘Help me!’ riep Tess. Ze rukte uit alle macht aan een ijzeren staaf. ‘De rem zit muurvast!’
Ze begonnen met zijn drieën aan de stang te trekken.
Met een schok kwam de rem los.
Er gebeurde niets.
De achtervolgers waren nu vlakbij.
‘We moeten duwen!’ Daan sprong weer uit de kar. Hij zette zich schrap en begon samen met Leila als een bezetene te duwen. ‘Ja, het lukt!’
Langzaam maar zeker kwam het ding in beweging.
‘Klim er weer in!’ gilde Tess.
Daan en Leila gaven nog een laatste zet en sprongen aan boord.
‘Daar zijn ze al!’ Achter hen verschenen de eerste mannen. ‘Duiken!’
De drie vrienden verscholen zich in de metalen bak.
Een tel later sloeg een regen van kogels op de wagen in.
Daan voelde hoe het vehikel een bocht naar links maakte en versnelde. Hij keek over de rand. Zijn maag keerde zich om. In het licht van zijn zaklamp zag hij hoe het spoor langs de kraterrand heen naar beneden slingerde. ‘We gaan te snel! We moeten vertragen!’ Hij begon als een gek aan de remstaaf te trekken, maar die gaf geen krimp meer.
‘Ze komen ons achterna!’ gilden Tess en Leila in koor.
